Op campagne

Verhalen over Amerikaanse politiek en het Zuiden van de VS

Uncle Joe

Joseph Biden doet niet mee + de Republikeinse poppenkast inzake Benghazi = Hillary Clinton president? Op dit moment lijkt het die kant wel op te gaan. Velen zagen Biden als een geduchte tegenstander voor Clinton, maar op 21 oktober kondigde de vice-president aan dat hij niet klaar was voor een presidentscampagne. Deze beslissing had grotendeels te maken met de dood van zijn zoon Beau, die in mei overleed. Het sterfgeval had waarschijnlijk een grote stempel gedrukt op Bidens campagne, hoewel hij natuurlijk niet de eerste vooraanstaande politicus is die met dit soort persoonlijk leed geconfronteerd wordt. Desalniettemin had hij het moeilijk gekregen in de strijd tegen Hillary. Door zijn lange wachten had Biden geen organisatie in de staten en geen geld in kas. Bovendien hebben veel Democraten in het Congres zich al achter Clinton geschaard. Deze combinatie van factoren heeft ervoor gezorgd dat Biden uiteindelijk geen gooi doet naar het ambt waarvoor hij de politiek in was gegaan — het presidentschap van de Verenigde Staten.

Is het jammer dat Biden niet meedoet? Natuurlijk! Want: who doesn’t love Uncle Joe? De vice-president behoort tot een politieke klasse die langzaam van het toneel verdwijnt. Biden werd in 1972 senator voor Delaware, slechts 30 jaar oud. Ook toen werd hij getroffen door een tragedie. Vlak na zijn verrassende overwinning op de Republikein J. Caleb Boggs kwamen zijn vrouw en hun één jaar oude dochtertje Naomi om het leven in een ongeluk. Biden was van plan om uit de politiek te stappen, maar besloot toch door te zetten. Dit was het begin van een Senaatscarrière die 36 jaar zou duren.

Biden werd lid van de Judiciary Committee in de nadagen van Big Jim Eastland uit Mississippi, die tot zijn pensioen in 1978 voorzitter van de commissie was. Onder Eastland was Judiciary een good old boys club, waar de meeste zaken geregeld werden na kantoortijd. Dan kwam de fles whiskey op tafel en werden de federale baantjes verdeeld. Joe Biden maakte deel uit van een groep jonge progressieve senatoren in de commissie, samen met Philip Hart en Ted Kennedy. Hoewel Eastland uitgesproken conservatief was, zorgde hij er voor dat ook de liberals tevreden werden gehouden. Dan moest je echter wel een liefhebber zijn van whiskey. Toen Ted Kennedy in 1962 op de Judiciary Committee terecht kwam, ging hij eerst op audiëntie bij voorzitter Eastland. De senator uit Mississippi was inschikkelijk, maar Kennedy moest wel een glas whiskey leegdrinken voor elke subcommissie waar hij lid van wilde worden. Op het eind van het gesprek met Eastland had Kennedy zijn favoriete baantjes en was hij ook behoorlijk dronken.

De politieke cultuur waarin Biden het vak leerde, bestaat niet meer. James Eastland was aartsconservatief maar tegelijkertijd geliefd door linkse Democraten, althans in de persoonlijke omgang. Eastlands macht was gebaseerd op het compromis en hij was dan ook toegeeflijk in het inwilligen van wensen die voor hem geen politieke prioriteit hadden, maar wel belangrijk waren voor zijn commissieleden. Zolang je niet in het vaarwater van de voorzitter kwam, kon je met hem onderhandelen. Kom daar nog maar eens om, met de ideologische scherpslijpers die tegenwoordig in Washington zitten. Door hun inflexibiliteit komt het politieke proces regelmatig tot stilstand en heeft het Congres één van de laagste approval ratings ooit. Politici zoals Biden hebben het moeilijk gekregen in dit gepolariseerde klimaat, hoewel de Amerikaanse politiek nu juist professionals zoals hem nodig lijkt te hebben — door de wol geverfde veteranen die in staat zijn om boven de partijen te staan. Daarnaast is Biden gewoon een hele gave kerel.

Het was sowieso een goede week voor Clinton. Biden is uit de race en op donderdag mocht ze voor Trey Gowdy’s Benghazi commissie verschijnen. Gowdy is een gluiperig mannetje uit South Carolina, een ouderwetse zuidelijke snake oil salesman die wel wat weg heeft van Draco Malfoy uit Harry Potter. Gowdy’s plan was om zijn commissie te gebruiken als een wapen tegen Hillary, maar dat ging helemaal mis. Terwijl de voorzitter al zwetend de meest idiote vragen stelde over Clintons functioneren tijdens de aanval op een Amerikaanse diplomatieke post in Libië in 2012, bleef Hillary cool, calm, and collected. Het elf-uur durende verhoor was een sterk staaltje Republikeinse zelfdestructie en erg fijn voor Clintons campagne. Kennelijk kwamen de donaties binnenstromen na Trey Gowdy’s implosie. Politico bedacht een nieuwe naam voor zijn commissie: “the Committee to Increase Hillary Clinton’s Fundraising.” En president Obama vergeleek de Republikeinen met Grumpy Cat. Very funny.

Dankzij het debat, Bidens beslissing en het Benghazi verhoor ziet het er rooskleurig uit voor Clinton. Ze moet echter niet te vroeg juichen. Hillary heeft immers al een keer eerder verloren van een outsider en ook de geschiedenis leert dat establishment kandidaten zoals Clinton het soms afleggen tegen linkse tegenstanders. In 1972, het jaar dat Joe Biden senator werd, wist de progressieve senator George McGovern uit South Dakota tamelijk onverwacht de Democratische nominatie binnen te slepen. Ook toen speelden vuile Republikeinse trucjes trouwens een rol in de voorverkiezingen van de Democraten. Dat pakte destijds beter uit dan Gowdy’s snode plan: door de “Canuck Letter” werd favoriet Edmund Muskie al vroeg buitenspel gezet en kon McGovern de primaries winnen, om vervolgens op desastreuze wijze ten onder te gaan tegen president Richard Nixon. Later bleek de Canuck Letter deel te zijn van een veel groter complot om de Democratische Partij te saboteren. De onthulling van dat complot leidde tot het aftreden van “Tricky Dick” Nixon en een breed gedragen verlies van vertrouwen in de Amerikaanse politiek. Sounds familiar?

Advertenties

Leiderschap

De Democraten gingen voor het eerst met elkaar in debat en geen enkele prominente Republikein wil eigenlijk Speaker of the House worden. Laten we met het eerste beginnen. In Viva Las Vegas was het dinsdag Hillary Clinton Day en Bernie Sanders deed ook leuk mee. Naast Hillary en Bernie stonden er nog drie vreemde kerels op het podium, eentje met daddy issues, eentje met een Vietnam syndroom en Martin O’Malley, die het best aardig deed. Vooral zijn uithaal naar de “National. Rifle. Association” was catchy. De stamelende Lincoln Chafee kan z’n koffers gaan pakken en Jim Webb moet ook wat gezelliger worden, in plaats van de verzuurde veteraan uit te hangen.

Wolf Blitzer van CNN noemde het debat “extraordinary,” wat lichtelijk overdreven was. Het was een goed debat, maar dankzij de Republikeinse freakshows wordt een goed debat kennelijk al snel “extraordinary.” Clinton ontmantelde op een fantastische manier de Big Government paradox van de Republikeinen, die nu dwars liggen in het Congres vanwege subsidies voor Planned Parenthood. Het Republikeinse mantra is natuurlijk anti-Big Government, maar alleen als het gaat om deregulering van de economie. Zodra het op de persoonlijke keuzes van Amerikanen aankomt, heb je Big Government in één keer in je slaapkamer staan.

Dan de race voor Speaker of the House. Nou ja, race… Probleem is dat geen enkele vooraanstaande Republikein zich meer wil branden aan het leiderschap van het zootje ongeregeld dat tegenwoordig de Republikeinse Partij heet. Nadat John Boehner al zingend zijn aftreden aankondigde, leek het er even op dat Kevin McCarthy uit Californië hem zou vervangen. Dat feest ging niet door omdat McCarthy 1) de Benghazi onderzoekscommissie per ongeluk ontmaskerde als een anti-Hillary complot en 2) geruchten ontstonden over een buitenechtelijke relatie tussen hem en een collega uit North Carolina, de Republikeinse afgevaardigde Renee Ellmers. Volgens haar waren deze roddels “batshit crazy,” maar het kwaad was toen al geschied.

Einde oefening voor McCarthy, volgend slachtoffer: Paul Ryan, Mitt Romney’s running mate in de presidentscampagne van 2012. Ryan is een jonge veelbelovende conservatief uit Wisconsin en lijkt he-le-maal geen zin te hebben om zijn nog prille carrière op het spel te zetten. Bill Flores uit Texas heeft zich inmiddels kandidaat gesteld. Volgens Flores wordt het tijd dat Republikeinen zich gaan inzetten voor “the best achievable outcomes as exemplified by President Reagan’s presidency.” Een gebrek aan Reagan commitment lijkt mij nu niet het grootste probleem voor de Republikeinse Partij.

Wat is dan wel de oorzaak van het Republikeinse disfunctioneren? In belangrijke mate wordt deze malaise veroorzaakt door politici zoals Flores, die voorzitter is van de Republican Study Committee (RSC). De RSC is een grote en invloedrijke groep afgevaardigden die de Republikeinse Partij op het rechtse pad probeert te houden. Maar de echte reactionairen zitten in de Freedom Caucus, een Tea Party gezelschap dat Boehner tot aftreden heeft gedwongen. De Caucus bestaat uit ongeveer veertig afgevaardigden die elk compromis met de Democraten zien als het werk van de duivel. Peter King, een Republikein uit New York, omschreef hen onlangs als de “crazies” die de partij gegijzeld hebben.

De opkomst van de rechtse crazies begon met Barry Goldwaters presidentscampagne van 1964. Tot die tijd was de Republikeinse Partij een heel fatsoenlijke conservatieve club onder leiding van noordoostelijke zakenmannen, die veel vrijheid voor business wilden maar progressief waren op het gebied van bijvoorbeeld burgerrechten. Een beetje zoals de VVD van vroeger, voordat de crazies daar de toko overnamen. Zoals ik in mijn vorige post al schreef, wist Goldwater uiteindelijk alleen zijn thuisstaat Arizona en vijf staten in het Diepe Zuiden te winnen. De zuiderlingen steunden senator Goldwater omdat hij tegen de Civil Rights Act van 1964 had gestemd.

Op zich was Goldwater wel een grappige kerel. Hij had bijvoorbeeld een vlaggenmast in zijn voortuin geïnstalleerd die automatisch de Star Spangled Banner hees zodra de eerste zonnestralen over de woestijn van Arizona vielen. In Washington stond hij vooral bekend als een rabiaat tegenstander van een sterke federale overheid. Zijn stem tegen de Civil Rights Act kwam dan ook niet voort uit racistische motieven, maar omdat hij het een onconstitutionele wet vond. Dat maakte zuidelijke racisten weinig uit. Goldwater was één van de weinige nationale politici die zich uitsprak tegen federale bescherming van burgerrechten.

Goldwaters oppositie tegen federale inmenging beperkte zich niet tot de Civil Rights Act. Hij wilde de Tennessee Valley Authority verkopen en Social Security vrijwillig maken. Qua buitenlandbeleid bezigde hij agressieve retoriek; om de Koude Oorlog te winnen, mocht de atoombom best ingezet worden. Door dit soort standpunten werd Goldwater afgeschilderd als een vuurgevaarlijke rechtse cowboy. Zijn campagne slogan was “In your heart you know he’s right.” De Democraten bedachten al snel de alternatieven “In your brain you know he’s insane” en “be with Barry when they burn the crosses,” vanwege zijn aanhang in het Zuiden. Het was niet vreemd dat LBJ de verkiezingen van 1964 won met een landslide. Maar het stempel dat Goldwater in 1964 op de Republikeinse Partij drukte zien we tot op de dag van vandaag terug.

Barry Goldwater wist de Republikeinse nominatie binnen te halen dankzij een sterke grassroots organisatie in het Zuiden en Zuidwesten. Zijn aanhangers verbonden raciale motieven met angst voor een sterke federale overheid, die hun belastinggeld zou gebruiken voor de financiering van initiatieven die gericht waren op onderdrukte groepen in de Amerikaanse samenleving: de minderheden en de armen. De fans van Goldwater waren niet zozeer de terroristen in de KKK (hoewel veel aanhangers van segregatie op hem stemden in 1964), maar de blanken in de groeiende zuidelijke suburbs. Zij zouden de kern vormen van Nixons “Silent Majority.”

Na 1964 verschoof de machtsbalans in de Republikeinse Partij van het noordoosten naar het Zuiden en de woestijnstaten in het Westen. Dit gebied wordt ook wel omschreven als de Sunbelt, waar het altijd lekker weer is — vooral voor ondernemers, gezien het gunstige belastingklimaat voor bedrijven en het ontbreken van vakbonden. Andere namen zijn de Gun Belt (veel geweren) en de Bible Belt (veel evangelische protestanten). De evangelicals gingen sinds de jaren zeventig een steeds grotere rol spelen in de Republikeinse Partij. De legalisering van abortus in 1973 en pogingen om het Equal Rights Amendment in de Grondwet te krijgen leidden tot de politieke mobilisering van deze grote groep sociaal-conservatieven, die zich zorgen maakte over het morele verval van Amerika.

And there you have it: de traditionele anti-overheidsagenda van de Republikeinen heeft sinds 1964 een racistisch tintje gekregen door het binnenhalen van blanke zuiderlingen die altijd Democratisch hadden gestemd, maar zich niet langer konden vinden in het burgerrechten activisme en de Great Society van president Lyndon Johnson. Vanaf de jaren zeventig kwam daar het religieus fundamentalisme bij, dankzij de evangelische moraalridders die in 1976 nog collega-Southern Baptist Jimmy Carter naar het Witte Huis hadden geholpen, maar vier jaar later teleurgesteld overliepen naar Ronald Reagan. Carter was hen niet oudtestamentisch genoeg.

Reagan is inmiddels heilig in de Republikeinse Partij, maar dat komt vooral omdat hij een bijzonder effectief afbraakbeleid voerde ten aanzien van sociale zekerheid. Van zijn moralistische plannen (abortus criminaliseren, verplicht de schooldag beginnen met gebed) kwam weinig terecht, maar dat zijn we tegenwoordig vergeten. Het dienen van Big Business gaat de Republikeinen beter af dan het dienen van Jezus, althans als het gaat om het behalen van concrete politieke doelen. Met andere woorden: de VS is aardig op weg richting oligarchie, maar Gods Koninkrijk op aarde is het nog lang niet.

Het gevolg is een zeer gefrustreerde zuidelijke evangelische achterban, die een constante stroom Tea Party rebellen naar het Congres stuurt. Het levert Republikeinse meerderheden op in Washington maar betekent ook het einde van effectieve besluitvorming, omdat deze schriftgeleerden geen compromis willen sluiten als het gaat om bijbelse waarheden. Hún bijbelse waarheden welteverstaan.

William Greider heeft een mooi stuk geschreven voor The Nation over de factiestrijd binnen de Republikeinse Partij en de historische achtergrond daarvan. De Goldwater Revolutie heeft een Monster van Frankenstein gecreëerd, een compleet schizofrene vereniging van gelovigen die nu tegen de grenzen van haar eigen reactionaire radicalisme aanloopt. In een land dat steeds diverser wordt en zich bovendien lijkt te keren tegen het ongebreidelde kapitalisme dat onder Ronald Reagan begon, moeten de Republikeinen zichzelf opnieuw uitvinden, vooral als het gaat om het winnen van presidentiële campagnes.

Lange tijd dachten politieke analisten dat Middle America – de blanke religieuze middenklasse uit de suburbs van het Amerikaanse hartland – de sleutel tot verkiezingsoverwinningen was. Barack Obama heeft aangetoond dat de absolute steun van deze groep kiezers niet noodzakelijk is. Hillary Clinton lijkt Obama’s strategie voort te zetten. Omdat de Democratische Partij zich steeds meer gaat richten op minderheden en de grote steden, blijft een groot deel van het Zuiden gedesillusioneerd achter. De Democraten zijn allang niet meer de partij van de zuiderlingen en de Republikeinen blijken niet in staat concrete resultaten met hun Kulturkampf te behalen. Het is dan ook niet zo vreemd dat vooral arme blanken uit het Zuiden, gedumpt door de Democraten en genaaid door de Republikeinse business elite, met de Confederate Battle Flag staan te zwaaien — expressie van hun identiteit, maar ook het ultieme symbool van een Lost Cause.

Dixie Democrats

Dit jaar probeert een vrachtwagenchauffeur gouverneur van Mississippi te worden. Robert Gray, gewezen brandweerman en tegenwoordig dus op de vrachtwagen, won de Democratische voorverkiezingen en mag het opnemen tegen de zittende gouverneur, de Republikein Phil Bryant. Bryant heeft 2,4 miljoen dollar tot zijn beschikking en zal weinig moeite hebben om Gray te verslaan. Zoals zoveel Republikeinen in het Diepe Zuiden is Bryant een rechtse rakker die de oorlog heeft verklaard aan de Affordable Care Act en geen reden ziet om de huidige vlag van Mississippi te veranderen — inderdaad, dat ding met de Confederate Battle Flag, symbool van een mislukte republiek gesticht door slavenhouders. Het feit dat Bryant gouverneur is van één van de armste staten in de Unie waar 38 procent van de bevolking zwart is, is een indicatie hoe de macht verdeeld is in de zuidelijke staten.

Gray won de Democratische primary, maar had het zelf te druk om te stemmen. “I’m not a politician,” aldus Gray. “I’m not a person who really wanted to run for governor.” Zijn belangrijkste agendapunt is uitbreiding van Medicaid in Mississippi. Medicaid is een federaal programma dat financiële steun verleent aan arme Amerikanen die hun ziektekosten niet kunnen betalen. De Democratische kandidaat voor luitenant-gouverneur, Tim Johnson, doet in zijn vrije tijd trouwens graag Elvis na.

Een vrachtwagenchauffeur en een Elvis imitator als het kansloze Democratische ticket voor het gouverneurschap van een zuidelijke staat, dat was vijftig jaar geleden niet mogelijk geweest. In 1965 waren de gouverneur, de twee senatoren en vier van de vijf afgevaardigden Democraat. De enige Republikein in dat gezelschap was een kippenboer die bij toeval een zetel had gewonnen in de verkiezingen van 1964, dankzij de gedoemde presidentiële campagne van states’ rights maverick Barry Goldwater. Daar kom ik later nog op terug.

Hoe kan het dat de partij van Barack Obama en Hillary Clinton lange tijd oppermachtig was in het conservatieve Zuiden? De oorsprong van de Democratische hegemonie in de regio moet gezocht worden in het zuidelijke verlies van de Amerikaanse Burgeroorlog. Een Republikeinse president, Abraham Lincoln, had het Zuiden op de knieën gekregen en was tevens verantwoordelijk voor de afschaffing van de slavernij. Radicale Republikeinen installeerden vervolgens een militair bewind in de zuidelijke staten tijdens de Reconstructie periode. Toen de Reconstructie in 1877 ten einde kwam, hadden blanke zuiderlingen een diepgewortelde haat ontwikkeld tegen zo’n beetje alles wat Republikeins was.

Het is tegenwoordig moeilijk voor te stellen dat Democraten, tezamen met paramilitaire en terroristische organisaties zoals de White League en de Ku Klux Klan, de blanke suprematie herstelden en het systeem van segregatie invoerden. Aan het eind van de 19e eeuw waren de blanken weer de baas in het Zuiden — mede mogelijk gemaakt door de Democratische Partij. Tot aan de New Deal van Franklin Roosevelt haalden Democratische presidentskandidaten meestal meer dan 90 procent van de stemmen binnen in het Zuiden, waar apartheid en een eenpartijstelsel de politieke cultuur bepaalden.

Roosevelt had echter grootse ideeën voor zijn partij en het Zuiden. Gedurende Roosevelts bewind was de zogenaamde New Deal coalitie tot stand gekomen, een tamelijk instabiele maar politiek machtige combinatie van arbeiders en zwarte kiezers in de noordelijke steden en de agrarische sector in het Westen en Zuiden. Die laatste groep, de blanke zuiderlingen, had in eerste instantie weinig problemen met de federale dollars die men ontving om de extreme armoede in de regio op te lossen. Het werd allemaal wat lastiger toen Roosevelt probeerde conservatieve zuidelijke Democraten te vervangen door jonge progressieve zuiderlingen. Tegelijkertijd groeide de invloed van het zwarte electoraat op de Democratische Partij. Aan het eind van de jaren dertig was de zuidelijke elite wel klaar met Roosevelt, overheidsbemoeienis, de New Deal en zwarte Democraten uit het Noorden. Geld uit Washington was fijn, maar dan graag zonder federaal gesleutel aan de raciale en politieke machtsstructuur in Dixie.

Tijdens de Koude Oorlog brak de politieke pleuris pas echt uit in het Zuiden. De Democratische Partij leek steeds meer toe te geven aan de eisen van zwarte Amerikanen, ook onder druk van de burgerrechtenbeweging, die actiever werd in de jaren vijftig en vooral de jaren zestig. In de presidentiële campagne van 1960 verschilden John Kennedy en Richard Nixon niet veel op het gebied van burgerrechten. Het is leuk om te speculeren hoe de geschiedenis zou zijn gelopen als Nixon die verkiezing had gewonnen. Dat gebeurde echter niet; de Democraat Kennedy behaalde een flinterdunne overwinning. JFK, niet Nixon, mocht zich vervolgens bezig gaan houden met de sit-ins, de wade-ins, de Freedom Rides, de integratie van de universiteiten in Alabama en Mississippi en het blanke politiegeweld tegen vreedzame civil rights demonstranten in Birmingham. Kennedy zat daar overigens niet echt op te wachten. Die ging liever Koude Oorlogje spelen dan het probleem van segregatie aanpakken.

Het samenvallen van het presidentschap van Kennedy en zijn opvolger Johnson met de escalatie van de strijd voor burgerrechten verklaart voor een groot deel de groeiende populariteit van de Republikeinse Partij in het Zuiden. Democratische presidenten, veelal gedwongen door omstandigheden, voerden belangrijke civil rights wetten in; zuidelijke Democraten were not amused. In een speech in Atlanta stelde de Republikeinse senator Barry Goldwater uit Arizona destijds dat zijn partij “had to go hunting where the ducks are.” De “ducks” waren de blanke zuiderlingen, die de Democratische Partij zo langzamerhand niet meer zagen als de traditionele beschermer van segregatie, maar als een linkse club gelijkheidsdenkers. In 1964 won dezelfde Goldwater op miraculeuze wijze de Republikeinse nominatie voor presidentskandidaat. Hij voerde vervolgens een nogal waanzinnige campagne die hem slechts zes staten opleverde. Naast zijn thuisstaat Arizona waren dat echter wel vijf staten uit het oude Democratische basiskamp: het Diepe Zuiden. Dankzij het conservatieve extremisme van Goldwater won ook voor het eerst in jaren een redelijk aantal zuidelijke Republikeinen een zetel in het Congres, waaronder de kippenboer uit Mississippi, Prentiss Walker. De Republikeinse Southern Strategy was geboren.

Historici worstelen nog steeds met de vraag in hoeverre de Republikeinse machtsovername in het Zuiden gebaseerd was op raciale motieven. Na de Tweede Wereldoorlog steeg namelijk het welvaartspeil in het Zuiden, mede dankzij de defensie industrie die door de federale overheid gesubsidieerd werd. Zuiderlingen gingen meer verdienen, vertrokken naar de suburbs en hadden geen zin om veel belasting te betalen over hun gegroeide inkomen. De laissez-faire ideologie van de Republikeinen paste beter bij deze nieuwe zuidelijke middenklasse, die geen baat meer had bij Democratische armoedebestrijding.

Het is lastig te ontkennen dat de welvaart is toegenomen in de zuidelijke staten. Dat neemt niet weg dat vooral de blanke zuiderlingen hiervan geprofiteerd hebben, waardoor de opkomst van de Republikeinse Partij in het Zuiden niet te begrijpen valt zonder het raciale aspect erbij te betrekken. Aan het begin van de jaren zeventig leek het er even op dat blanke en zwarte Democraten gezamenlijk Roosevelts oude droom van een meer progressief Zuiden zouden kunnen bewerkstelligen. Maar daar kwam weinig van terecht. Mijn huidige onderzoek richt zich op het falen van deze droom en de ondergang van de Democratische Partij in het Zuiden gedurende de jaren zeventig en tachtig.

In zekere zin vormt de campagne van Jimmy Carter hierop een uitzondering. Niemand had erop gerekend dat een onbekende zuidelijke Democraat in 1976 de presidentsverkiezingen kon winnen, inclusief Carters moeder Lillian. Toen Jimmy haar vertelde dat hij president wilde worden, vroeg zij: “president of what?” Misschien kan onze Democratische vrachtwagenchauffeur uit Mississippi daar hoop uit putten, hoewel zijn moeder überhaupt niet wist dat hij mee ging doen aan de verkiezingen. Daar kwam ze pas in het stemhokje achter.

Amerikaans socialisme

De New York Times omschreef Bernie Sanders onlangs als een “democratic socialist,” hoewel de onafhankelijke senator uit Vermont zichzelf liever een “progressive” noemt. Hij doet het zeer behoorlijk in de polls, wat opvallend is gezien zijn uitgesproken linkse standpunten. Hij heeft geen super PAC die miljoenen voor hem binnensleept en hij verzet zich tegen de macht van grote banken en belastingvoordeel voor de rijken. Als het aan hem ligt, wordt de VS een verzorgingsstaat à la Zweden — oftewel een tweede Canada. Net als Trump bij de Republikeinen verwoordt Sanders het ongenoegen aan Democratische zijde, waar een deel van de kiezers klaar is met het establishment en de macht van het grote geld. Op beide flanken van het politieke spectrum broeit het dus, wat de huidige campagne extra interessant maakt.

Is Sanders een socialist? De ideeën die hij verkondigt staan eigenlijk dichter bij de sociaal-democratie, bovendien overgoten met een Amerikaans sausje. Net als andere Amerikaanse politici neemt Sanders het op voor de middenklasse, hoewel hij linkse oplossingen aandraagt om de belangen van die groep te beschermen. Een echte socialist verdedigt natuurlijk niet de bourgeoisie, maar het programma van Sanders wordt als radicaal beschouwd omdat het linkse geluid lange tijd niet of nauwelijks te horen was in de Amerikaanse politieke arena. Het luidruchtige extremisme kwam van rechts, van onder meer de Tea Party, die zich plaatst in een lange Amerikaanse traditie van verzet tegen overheidsbemoeienis.

Toch kennen ook de Verenigde Staten een geschiedenis van links radicalisme, van een goed georganiseerde arbeidersbeweging en een populaire Socialistische Partij. Vooral aan het begin van de twintigste eeuw deden de Socialisten het goed in de verkiezingen; in 1912 wist de Socialistische presidentskandidaat Eugene V. Debs zelfs zes procent van de stemmen binnen te halen. Socialisme is misschien niet “as American as apple pie,” maar het is ook zeker geen Amerikaanse anomalie. In de VS kan de linkse strijd tegen corruptie en de concentratie van rijkdom en macht zelfs teruggevoerd worden tot de ideologie van het republikanisme (met een kleine r), die op haar beurt een belangrijke invloed had op het uitbreken van de Amerikaanse Revolutie in 1776.

Het is opmerkelijk dat de socialistische brandhaarden in het verleden vooral woedden in staten die nu dieprood kleuren — dieprood als in conservatief Republikeins, niet links-radicaal. In prairiestaten zoals Texas, Oklahoma en Kansas ontstond rond het eind van de negentiende eeuw een sterke socialistische beweging. Pachters en arbeiders verenigden zich daar en kwamen in opstand tegen de gevestigde politieke orde en het kapitaal in de mijn-, bos- en landbouw. Militante leiders zoals “Red Tom” Hickey in Texas combineerden socialisme met religie en creëerden zodoende een boodschap die een sterke aantrekkingskracht had op de arme plattelanders in het oude Zuidwesten. Op een bepaald moment had Oklahoma zelfs meer socialisten dan de gehele staat New York.

De oppositie van de Socialisten tegen Amerikaanse inmenging in de Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat de partij als onpatriottisch werd afgeschilderd en haar aanhang afnam. Na de Russische Revolutie ontstond er bovendien een Red Scare in de VS, die zijn hoogtepunt bereikte in de jaren 1919-1920, wat resulteerde in onderdrukking van socialistische ideeën. De linkse beweging maakte een opleving door tijdens de New Deal in de jaren dertig, toen de Communist Party USA een voortrekkersrol had in een progressief volksfront. Hoewel de communisten zich vaderlandslievend opstelden en claimden dat “Communism is 20th Century Americanism,” kwam ook aan hun populariteit een einde nadat Nazi-Duitsland en de USSR een niet-aanvalsverdrag tekenden, het Molotov-Von Ribbentrop Pact. Zodra de Koude Oorlog op gang kwam, ontstond er een tweede Red Scare, verpersoonlijkt door senator Joe McCarthy uit Wisconsin. Tijdens de titanenstrijd tussen de VS en de SU werd praktisch elk links idee met argwaan bekeken in Amerika.

Waarom heeft het socialisme uiteindelijk nooit echt voet aan de grond gekregen in de VS, ondanks het excessieve kapitalisme? In 1906 stelde de Duitse econoom en socioloog Werner Sombart deze vraag al in zijn boek Warum gibt es in den Vereinigten Staaten kein Sozialismus? Volgens Sombart had dit te maken met het succes van het Amerikaanse kapitalisme; de arbeidersklasse had helemaal geen zin om het systeem omver te werpen, maar wilde er zelf van profiteren. De Amerikaanse arbeiders hadden een hogere levensstandaard dan hun kameraden in Europa en identificeerden zich sterker met de bourgeoisie. De American Dream en het idee van de Verenigde Staten als “Land of Opportunity” waren volgens Sombart aantrekkelijker dan de utopie van de socialistische heilstaat.

Wellicht had Sombart een punt. Tegelijkertijd toont de geschiedenis aan dat Amerikanen bereid zijn linkse ideeën te omarmen als de nood hoog is. Het ongebreidelde kapitalisme van de Gilded Age (1870-1900) resulteerde in de opkomst van het Amerikaanse socialisme. We leven nu in een periode die in bepaalde opzichten lijkt op de Gilded Age, met een kleine economische elite die de politieke macht naar zich toe trekt, een middenklasse die onder druk staat en een groeiend proletariaat. Ondertussen werkt een groot aantal Amerikanen zich helemaal naar de tering voor weinig geld, niet alleen aan de onderkant van de samenleving, maar ook bijvoorbeeld in de academische wereld. De American Dream blijft voor velen echter ver weg. De frustratie die hieruit voortkomt, verklaart de opkomst van populistische politici zoals Donald Trump en Bernie Sanders. Trump geeft buitenlanders, Obama en de overheid de schuld voor de teloorgang van de Amerikaanse Droom, Sanders het grootkapitaal. “Feel the Bern” kan in ieder geval op veel support rekenen, zo’n honderd jaar nadat de Socialisten het hartland van Amerika in vuur en vlam zetten.

10th Amendment

De afgelopen dagen verschenen interessante gasten in Stephen Colberts The Late Show. Vorige week kwam Bernie Sanders op bezoek en gisteren was het de beurt aan Donald Trump, die van plan is een muur te bouwen tussen de VS en Mexico met een “big beautiful door” erin die alleen open gaat voor legale immigranten.

Op maandag maakte senator Ted Cruz van Texas zijn opwachting, uiteraard had hij zijn cowboylaarzen aan. Cruz doet mee aan de Republikeinse campagne en is vooral populair onder sociaal-conservatieven, Amerikanen die niet alleen bang zijn dat de identiteit van de VS naar de kloten gaat door big government en buitenlanders, maar die zich ook druk maken om morele kwesties zoals abortus en het homohuwelijk.

Dat laatste onderwerp kwam tevens ter sprake in het interview met Colbert. Wat vond Cruz van gay marriage? Opeens leek het of Big Jim Eastland aan tafel zat. Volgens Cruz staat er niets over het huwelijk in de Amerikaanse Grondwet en daarom is het een zaak die de staten afzonderlijk mogen regelen. Hij verwees naar het 10e amendement, het laatste amendement van de Bill of Rights, dat opgenomen is in de Constitutie om het gezag van de federale overheid in te perken en de soevereiniteit van de deelstaten te waarborgen.

Ik ga de repliek van Cruz nu niet staatsrechtelijk uitpluizen. Wat opvallend is aan zijn antwoord, is dat verdedigers van raciale segregatie vergelijkbare argumenten gebruikten om in de jaren vijftig van de vorige eeuw gesegregeerd onderwijs te behouden in het Zuiden. Onderwijs wordt niet benoemd in de Constitutie, het is derhalve geen taak van de federale overheid en dus mogen de staten dat zelf fiksen. Zwarte kindjes niet op school bij blanke kindjes? Prima. Het Hooggerechtshof maakte daar in 1954 een eind aan met de Brown v. Board beslissing, net als het Hof dit jaar stelde dat staten het homohuwelijk niet mogen verbieden. Beide uitspraken zijn gebaseerd op de Equal Protection clausule van het 14e amendement.

Zowel Eastland als Cruz moeten worden gezien als voorstanders van een strikte interpretatie van de Grondwet: als het er niet in staat, dan moet Washington er met z’n poten van afblijven. Op zich is een dergelijke verdediging van small government en lokaal bestuur een aanvaardbare positie. Toch kleven er een aantal problemen aan deze visie op de Constitutie. Ten eerste veronderstelt zij een direct lijntje met de Founding Fathers, want alleen zij kunnen uitleggen wat ze nu precies bedoelden met de woorden die ze zo rond 1787 opschreven op een stukje papier in een veel te heet hok in Philadelphia. Gay marriage was toen nog niet echt een issue, uitbuiting van zwarten iets meer, maar daar deden ze uiteindelijk ook niet zo moeilijk over, want veel afgevaardigden op de Constitutionele Conventie hadden zelf slaven (inclusief voorzitter George Washington).

Het tweede probleem van de strikte interpretatie is dat het vaak de basis vormt voor discriminatie van minderheden. Het stemrecht was bijvoorbeeld lange tijd een aangelegenheid van de staten, met alle gevolgen van dien voor zwarte burgers in het Zuiden. Je kunt wel stellen dat je voor lokaal bestuur bent, maar als je een groot deel van de kiezers uitsluit omdat ze een kleurtje hebben, is er toch iets mis met het democratisch gehalte van dat bestuur. In 1965 ondernam het Congres actie met de invoering van de Voting Rights Act, die nu trouwens weer onder druk staat.

James Eastland zou trots zijn geweest op Ted Cruz toen hij de rechters van het Supreme Court vermomde politici noemde. Eastland had ook geen goed woord over voor deze “politicians in robes.” Tevens had hij het vaak over het puur houden van de “Caucasian bloodstream” en het gevaar van immigranten die niets begrepen van de “Anglo-Saxon institutions, culture, and governmental institutions” in de VS. Nou goed, daar hebben de Republikeinen dan straks de Muur van Trump voor.

Verder is vandaag officieel de herfst begonnen! Daarom deze classic van McSweeney’s, voor de kalebas-en-pompoen-fetisjisten onder u. Lachen.

Football is Burgeroorlog

Drie dingen zijn heilig in het Zuiden van de Verenigde Staten: God, geweren en college football. De Southeastern Conference (of SEC) is de zwaarste competitie in het land en teams zoals Alabama en Louisiana State University staan steevast in de nationale top tien. De University of Mississippi zit ook in de SEC, maar teerde tot voor kort op vergane glorie en stelde verder weinig voor. Daar kwam vorig jaar verandering in: toen wisten de Ole Miss Rebels thuis de grote rivaal Alabama te verslaan. Toeschouwers stroomden na afloop van de wedstrijd het veld op, doelpalen sneuvelden, het was feest in Oxford.

Dit weekend was het payback time voor Alabama. Mississippi moest op bezoek in Tuscaloosa en het voormalig team van Forrest Gump zou de Rebels wel even een lesje leren. De bijnaam van de University of Mississippi is Ole Miss, een verwijzing naar de periode voor de Amerikaanse Burgeroorlog, toen de slaven de vrouw van de planter liefkozend “ole miss” noemden. In Alabama staat Ole Miss tegenwoordig beter bekend als Ole Piss. Bijzonder geestig, hoe bedenk je het.

Van payback time voor Alabama kwam weinig terecht. Mississippi won de wedstrijd met 43-37 en staat nu derde in de landelijke rankings, terwijl Alabama is afgezakt naar plaats 12. De overwinning komt gedurende een periode waarin verschillende symbolen uit de Amerikaanse Burgeroorlog onder druk staan in het Zuiden en dan vooral in Mississippi. De bijnaam Ole Miss is daar één van, maar ook de teamnaam “Rebels” heeft te maken met de zuidelijke secessie. De zuiderlingen rebelleerden tussen 1861 en 1865 immers tegen de Unie en de regering van Abraham Lincoln. In 2010 werd de mascotte van de University of Mississippi, Colonel Reb, vervangen door een zwarte beer. De Colonel was toch nét iets te Confederate.

Het grootste twistpunt is echter de Confederate Battle Flag, die prominent staat afgebeeld op de staatsvlag van Mississippi. Voor de wedstrijd in Alabama sprak een zwarte speler van het Ole Miss football team zich uit tegen de vlag. “If you have the Confederate Flag on your vehicle, you have a problem,” aldus linebacker E.J. Thompson. Juist op een universiteit waar de erfenis van het Oude Zuiden zo’n belangrijke rol speelt, kunnen dergelijke statements van spelers en coaches een impuls geven aan het verwijderen van symbolen die feitelijk slavernij en een feodale machtsstructuur verheerlijken. Want het verleden is belangrijk in de zuidelijke staten, maar college football misschien toch net een beetje meer. Binnenkort komt Vice News trouwens met deze documentaire over de Battle Flag in Mississippi. Ziet er interessant uit!

In other news: rechtse clown #2 heeft het Republikeinse primary circus verlaten. Na Rick Perry heeft nu Scott Walker besloten er mee te kappen. Walker was lange tijd favoriet van de Tea Party en de gebroeders Koch, dankzij zijn ultraconservatieve staat van dienst. Als gouverneur van Wisconsin heeft hij zo’n beetje eigenhandig de publieke sector in zijn staat een kopje kleiner gemaakt, inclusief de vakbonden en de gerenommeerde University of Wisconsin. Maar tegen het geweld van Donald Trump (en tot op zekere hoogte Ben Carson) was hij niet opgewassen. Bovendien was Walker geen rasechte campaigner. Hij flip-flopte alle kanten op en kreeg het zelfs voor elkaar om een 7-jarig jongetje aan het huilen te krijgen. De vader van het jochie had geen verblijfsvergunning en moest volgens Walker toch echt gedeporteerd worden — of misschien toch niet.

En de paus arriveert vandaag in de Verenigde Staten. Dit gebeurde er in Nederland toen de paus in 1985 ons land bezocht.

Donald en George

Vorige week vrijdag kwamen de Republikeinse kandidaten bijeen in Greenville, South Carolina, waar Heritage Action for America zijn kamp had opgeslagen in de Take Back America kruistocht. Deze club is de politieke tak van de Heritage Foundation, een rechtse denktank onder leiding van voormalig senator Jim DeMint, poster boy van de Tea Party beweging. De grote afwezige tijdens het forum in Greenville was Donald Trump, die het opeens erg druk had met een “significant business transaction.” The Donald had waarschijnlijk even genoeg van politiek, na een matig optreden in het tweede Republikeinse debat en gesodemieter vanwege zijn tamelijk kritiekloze houding ten opzichte van het Obama-is-een-moslim gedachtegoed van zijn aanhang.

Is dit het begin van het einde voor de vastgoedmagnaat? De zomer van 2015 zal de geschiedenis ingaan als de Summer of Trump, maar nu lijkt ook voor hem het mantra van Game of Thrones waarheid te worden: winter is coming, de vraag is alleen wanneer en hoe. Met zijn populistische aanpak heeft hij in ieder geval een gefrustreerd deel van het electoraat gemobiliseerd dat zich niet gerepresenteerd voelt door het politieke establishment en bovendien een gloeiende hekel heeft aan de eerste communistische moslim in het Witte Huis, Barack H. Obama. Althans, zo zien de Trumpers de president.

Trump is uiteraard niet de eerste kandidaat die pretendeert de Stem des Volks te verwoorden. De Amerikaanse media hebben inmiddels al enkele malen de vergelijking gemaakt met George Corley Wallace, de oud-gouverneur van Alabama die in 1963 beloofde dat raciale segregatie tot in eeuwigheid zou voortduren (kijk even het filmpje, lekker sigaretten roken was toen ook nog OK). In de jaren zestig en zeventig deed Wallace een paar keer mee aan de presidentsverkiezingen en verrassend genoeg waren deze pogingen niet geheel onverdienstelijk. In 1968 kon hij op een gegeven moment zelfs rekenen op de steun van twintig procent van de Amerikaanse kiezers, waaronder veel noorderlingen. Niet slecht voor een zuidelijke racist die in 1958 zijn kameraden vertelde dat hij nooit meer “outniggered” zou worden in een campagne.

Net als Trump presenteerde Wallace zich in 1968 als een outsider. Hij richtte zich tegen het Great Society programma van president Lyndon Johnson, een ambitieus overheidsproject om armoede en discriminatie te bestrijden. Volgens Wallace leden hardwerkende Amerikanen onder het minderhedenbeleid van de federale regering, waar “bearded, briefcase totin’ bureaucrats” en “pointy headed intellectuals who can’t park a bicycle straight” het ene linkse plan na het andere bedachten.

De hardwerkende Amerikanen vonden de Wallace show in eerste instantie prachtig, maar de gouverneur maakte een kapitale blunder toen hij Curtis LeMay als running mate naar voren schoof. LeMay was een voormalig luchtmachtgeneraal die zijn liefde voor kernwapens niet onder stoelen of banken schoof. Het duo stond al snel bekend als de “Bombsey Twins” en uiteindelijk bleek het extremisme van Wallace en de atoombom-obsessie van LeMay net iets teveel van het goede. Desalniettemin wist Wallace als onafhankelijk kandidaat toch nog dertien procent van de stemmen binnen te halen, vooral dankzij een grote aanhang in het Diepe Zuiden. De Republikein Richard Nixon versloeg Democraat Hubert Humphrey met een miniem verschil en werd president. De Wallace campagne had negatieve gevolgen voor met name Humphrey, aangezien veel traditioneel Democratische kiezers op de politicus uit Alabama hadden gestemd.

Kunnen we Donald Trump beschouwen als de light versie van George Wallace? Wallace was de populistische luis in de pels van de Democraten; Trump vervult een vergelijkbare rol voor de Republikeinen. De kans dat Trump de Republikeinse nominatie voor het presidentschap binnensleept is klein, maar een onafhankelijke campagne zit er natuurlijk in, net als Wallace in 1968. Met Sarah Palin als running mate kan dat een mooi theater van de demagogie worden. Dan mogen de Republikeinen ditmaal hun borst nat gaan maken.

Het 1968 scenario biedt veel vuurwerk, maar het zou eigenlijk nog mooier zijn als de campagne van 1948 volgend jaar in de rerun gaat. In die verkiezing deden vier heren een gooi naar het Witte Huis: Democraat Harry Truman, Republikein Thomas Dewey, de reactionaire Dixiecrat Strom Thurmond en de progressieve politicus Henry Wallace. Mocht Bernie Sanders het niet redden tegen Hillary Clinton en mogelijk Joe Biden, dan kan hij in de voetsporen van Henry Wallace treden en zich opstellen ter linkerzijde van de Democraten, terwijl Trump de rechterflank van de Republikeinen bespeelt. Truman won trouwens in 1948, ondanks de verbrokkeling van zijn eigen partij.