Mr. President

door Maarten Zwiers

Kan Donald Trump eigenlijk president worden? Deze vraag wordt mij vaak gesteld. Natuurlijk gaat het moeilijk worden voor Trump, aangezien hij inmiddels zeventig procent van het blanke mannelijke electoraat moet winnen, dankzij zijn radicale anti-abortus en anti-immigratie uitspraken. Volgens politiek blogger Chris Cillizza van de Washington Post maakt hij dan ook weinig kans. Het leuke van Trump als kandidaat is trouwens dat hij een hele club Republikeinen in het Congres zou meeslepen in zijn ondergang.

Trump wordt regelmatig vergeleken met derderangs demagogen zoals Strom Thurmond en George Wallace, de gouverneur van Alabama die in 1968 meedeed aan de presidentsverkiezingen met zijn eigen partij, de American Independent Party. Zowel Thurmond (in 1948) als Wallace (in de jaren zestig en zeventig) kregen het als rechtse populisten niet voor elkaar president te worden. Wat hen verbindt met Trump is een anti-establishment boodschap gericht tegen de gevestigde politiek in Washington.

Trump heeft echter ook veel gemeen met twee van de meest geprezen presidenten van de Verenigde Staten: Andrew Jackson (1828-1836) en Ronald Reagan (1980-1988). Jackson was de oprichter van de moderne Democratische Partij. Hij stond bekend als een opvliegerig type, een rouwdouwer die graag conflicten uitvocht met de vuist of het geweer. Tijdens de War of 1812 versloeg hij als generaal het Britse leger bij New Orleans, wat hem veel populariteit opleverde. Als planter in de frontier staat Tennessee vertegenwoordigde hij de blanke boeren die hun geluk in het Westen zochten. Bovendien behoorde hij niet tot het Washington establishment: Jackson stond voor masculien militarisme en de stem van de gewone man.

Zijn tegenstander in 1828 was daarentegen wél heel erg establishment: president John Quincy Adams, een intellectueel uit de noordoostelijke staat Massachusetts en de zoon van Founding Father John Adams. Nadat Jackson Adams verslagen had, maakte hij van zijn inauguratie een feestje voor het volk van de frontier. Dit waren niet de meest beschaafde mensen, althans niet volgens de elite in Washington. “But what a scene did we witness! The Majesty of the People had disappeared, and a rabble, a mob, of boys, negros [sic], women, children, scrambling fighting, romping,” aldus Margaret Bayard Smith, een dame uit de hoofdstedelijke upper class die de inauguratie in het Witte Huis aanschouwde. “What a pity, what a pity! No arrangements had been made no police officers placed on duty and the whole house had been inundated by the rabble mob.”

Jacksons inauguratie

Jacksons inauguratie, 1829

Waarschijnlijk overdreef mevrouw Smith een beetje. Maar Jackson is wel als groot voorvechter van de democratie en van de belangen van de Average American de geschiedenis ingegaan. Als tribuun van het volk gebruikte hij regelmatig zijn vetorecht om zijn onderdanen te beschermen tegen de gevestigde orde. De Bank of the United States was het symbool van deze gevestigde orde en van de special interests, dus draaide Jackson de bank de nek om. Net als Trumps achterban voelden de volgelingen van Jackson zich bedreigd door macro-economische krachten die onbeheersbaar leken, de zogenoemde Market Revolution. Het is daarom wellicht ironisch dat Jackson, de beul van de centrale bank, op het biljet van twintig dollar terecht kwam.

Jackson trad ook op een andere manier als beul op. Onder zijn bewind werden duizenden Native Americans vanuit het Zuidoosten van de VS gedeporteerd naar het Westen, naar het gebied dat nu de staat Oklahoma vormt. Veel indianen stierven op deze “Trail of Tears.” Jackson had een hekel aan de oorspronkelijke bevolking van Amerika en beschouwde hen als minderwaardig; ze moesten verwijderd worden om hun land beschikbaar te maken voor blanke boeren. Juist vanwege deze praktijken staat de herinnering aan Jackson nu onder druk. De Democraten vieren jaarlijks Jefferson-Jackson Day, vernoemd naar de twee belangrijkste voorvaders van hun partij. Niet elke Democraat heeft daar tegenwoordig nog zin in, aangezien zowel Thomas Jefferson als Andrew Jackson slavenhouders waren en Jackson zich daarnaast actief bezighield met de uitroeiing van Native Americans.

Net als Jackson kwam Ronald Reagan als outsider in de nationale politiek terecht. Nadat hij in 1976 nipt de nominatie van zijn partij had misgelopen, maakte hij in 1980 een sterke comeback tegen Jimmy Carter. Reagan schilderde Carter af als een watje, een doemdenker die met zijn halfzachte geneuzel het land de put in had gepreekt – een soort born-again John Quincy Adams. Met zijn stoere praat wist Reagan het Amerikaanse electoraat te overtuigen dat het onder zijn presidentschap weer “Morning in America” zou worden. Vervolgens begon de afbraak van de verzorgingsstaat en krankzinnige investeringen in het militair-industriële complex. De Amerikanen plukken tot op de dag van vandaag de zure vruchten van Reagans dereguleringsbeleid en de prominente rol van de wapenindustrie in de politiek. Desondanks zien Republikeinen Reagan als hun belangrijkste patroonheilige.

Ronald Reagan, acteur/president

Ronald Reagan, acteur/president

Ronald Reagan was een niet al te snuggere B-acteur die vooral goed was in oneliners. Hoe zou deze cowboy in vredesnaam ooit president kunnen worden? Toch is dat gebeurd en wist hij bovendien een grote stempel te drukken op de Amerikaanse politieke cultuur. Hetzelfde gold voor Jackson: wie nam zo’n onbeschofte vechtersbaas uit Tennessee serieus? Toch werd ook hij president en later een nationale held. Net als Reagan beweerde hij de belangen van de gemiddelde Amerikaan te verwoorden, hoewel Jackson ook echt wat deed voor de lagere blanke klasse, met gruwelijke gevolgen voor de indianen.

Uiteraard zijn de tijden veranderd en zal de geschiedenis zich niet exact herhalen. Jackson was de representant van blanke mannen op de frontier die vaak net het stemrecht hadden verworven. Met zijn populistische boodschap wist Jackson dit nieuwe en ontevreden electoraat te mobiliseren. Een vergelijkbare dynamiek verklaart Reagans verkiezing; hij wist blanke kiezers (en vooral blanke mannen) aan zich te binden die verlangden naar een sterke leider. Voor Jackson en Reagan zou het nu een stuk moeilijker worden om campagnes te winnen; vrouwen en minderheden (twee groepen die ten tijde van Jackson natuurlijk helemaal niet mochten stemmen) hebben tegenwoordig een veel grotere invloed op de uitkomst van verkiezingen, ook in vergelijking met de jaren tachtig.

Desondanks tonen Jackson en Reagan aan dat gevestigde systemen en patronen niet heilig zijn en doorbroken kunnen worden. Dat hoeft niet altijd tot rampspoed te leiden; een beetje revolutionair elan kan immers geen kwaad. In het geval van Trump is de kans op rampspoed echter tamelijk groot, althans naar mijn bescheiden mening. Wat de geschiedenis ons in ieder geval leert is dat Jackson aan het begin van de negentiende eeuw een succesvolle coalitie wist te smeden die hem uiteindelijk het presidentschap bracht, grotendeels op basis van rancune tegen het establishment. Wellicht staat over honderd jaar de tronie van Trump op het twintig dollar biljet, gevierd als de stem van het gewone volk.

Advertenties