U.S.A.

door Maarten Zwiers

De reactie van Donald Trump op de aanslagen in San Bernardino is eigenlijk zo oud als de Verenigde Staten: er is altijd een vijand die het Amerikaanse project in vrijheid en democratie kapot probeert te maken. De constructie van dergelijke vijandbeelden is intrinsiek aan het American experiment: als je jezelf presenteert als het beste land op aarde, moet er immers iets zijn dat “slecht” en on-Amerikaans is, een absolute tegenpool waar je je tegen af kunt zetten. Door de eeuwen heen waren dat de Britten, de vrijmetselaars, de mormonen, de katholieken, de slavenhouders (voor noorderlingen), de abolitionisten (voor zuiderlingen), de communisten, de Japanners, opnieuw de communisten en nu dus de moslims in het Amerika van Trump.

Het is handig als zo’n vijand in het buitenland zit, zoals de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog. Na de val van de Muur en de implosie van de USSR kwamen de VS in de jaren negentig in een identiteitscrisis terecht en zette de strijd over het ware Amerika zich op binnenlands terrein voort: de zogenaamde Culture Wars. Door het wegvallen van een gezamenlijke buitenlandse vijand werd de binnenlandse discussie tussen progressieven en conservatieven heftiger. Waar staat Amerika voor? Wat betekent “with liberty and justice for all” en wat is de rol van de federale overheid in het bereiken van dit ideaal?

Voor conservatieve Amerikanen is de federale overheid een vijand en teveel overheidsbemoeienis on-Amerikaans. Voor hen is Amerika “the Land of Opportunity” en moet iedereen de ruimte hebben om hun potentieel maximaal te benutten, zonder steun van Washington. Progressieven hebben vaak een meer rooskleurige kijk op de rol van de nationale regering. Een actieve overheid kan ervoor zorgen dat iedereen ook daadwerkelijk dezelfde kansen krijgt, bijvoorbeeld door positieve discriminatie. De ironie van de Amerikaanse geschiedenis is dat (sinds de oprichting van de VS) de federale regering bijzonder activistisch is geweest, maar vaak ten gunste van de groep die zich retorisch het meest verzet tegen overheidsingrijpen: rijke gasten.

Als we naar de stichting van het land kijken is het eigenlijk tamelijk logisch dat de federale overheid vaak in dienst staat van de opperklasse. De Grondwet werd geschreven door de maatschappelijke elite, waarvan een aanzienlijk deel ook nog eens slaven had. In de vroege jaren van de Republiek was Alexander Hamilton, vertegenwoordiger van de noordelijke business class en mede-auteur van de beroemde Federalist Papers, een groot voorstander van een sterke federale overheid, die direct de economie kon aansturen ten bate van de handel. Onder zuidelijke invloed werd ook de slavernij grondwettelijk beveiligd. Omdat de Grondwet in de loop der jaren een heilig document is geworden, heeft deze constitutionele erfenis een structureel karakter aangenomen in de Amerikaanse samenleving. De slavernij is natuurlijk afgeschaft, maar dat neemt niet weg dat de oorspronkelijke tekst van de Constitutie bescherming bood aan deze uitbuiting. Dat zie je tot op de dag van vandaag terug in de VS.

De slavernij, die welig tierde in het antebellum Zuiden, wordt vaak weggezet als on-Amerikaans. De zuidelijke staten waren een feodale samenleving, waar een decadente plantersaristocratie zich vooral bezighield met het drinken van mint juleps op de veranda. Niets bleek minder waar. Een nieuwe generatie historici heeft het “moonlight and magnolias” idee van het Oude Zuiden effectief ontmanteld. Vooral in staten zoals Alabama en Mississippi waren de planters harteloze maar innovatieve kapitalisten, die slim investeerden om hun plantages zo efficiënt mogelijk te maken. De slavenstaten waren super-Amerikaans.

De textielindustrie en het bankwezen in het Noorden profiteerden volop van de zuidelijke slavernij. Noordelijke fabrieken produceerden goedkope kleding en schoenen, specifiek bedoeld voor het kleden van slaven. De ontwikkeling van een moderne kapitalistische economie in de VS ging gepaard met de expansie van de slavernij in het Zuiden. Deze expansie werd trouwens gefaciliteerd door het nationale gezag. Onder president Jackson werden de indianen in het Zuidoosten van de VS gedeporteerd naar het huidige Oklahoma, waardoor hun land beschikbaar kwam voor de plantage-economie.

Gedurende de negentiende eeuw gingen de zuidelijke slavenhouders de federale overheid steeds meer zien als een bedreiging, vooral door de groei van het abolitionisme in het Noorden. Politieke leiders probeerden het Zuiden aan boord te houden, onder meer door het invoeren van een strikte Fugitive Slave Law, waardoor de nationale regering actief betrokken raakte bij het opsporen en terugsturen van gevluchte slaven. Deze federale steun was echter niet genoeg voor de zuidelijke planters; in 1861 stichtten zij hun eigen staat en trokken ze hun regio een bloedige oorlog in die desastreus verliep voor het Zuiden. Tienduizenden zuiderlingen stierven in een strijd om de economische macht van de grote slavenhouders in stand te houden.

In de twintigste eeuw was het opnieuw de zuidelijke elite die de conservatieve ambivalentie ten opzichte van federale steun belichaamde. Tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig waren zuidelijke politici gek op dollars uit Washington. Dankzij deze hulp konden grote planters hun boerderijen efficiënter maken en arme pachters van het land trappen. President Roosevelt voerde Social Security in, maar conservatieve zuiderlingen zorgden ervoor dat bepaalde groepen geen gebruik konden maken van deze overheidssteun: landarbeiders en huishoudsters. Het was geen toeval dat deze beroepen overwegend werden uitgeoefend door African Americans.

Terwijl het belastinggeld zuidwaarts bleef stromen – eerst in de vorm van landbouwsubsidies, vanaf de Tweede Wereldoorlog de defensie-industrie – bleef de regionale elite ageren tegen overheidsingrijpen in sociale kwesties, zoals de raciale segregatie en de bescherming van arbeiders. Om progressieve wetgeving op dit gebied te voorkomen, vormden de zuiderlingen coalities met reactionaire Republikeinen uit het Noorden: de Conservative Coalition. Senator James Eastland is een goed voorbeeld van een conservatieve zuidelijke politicus: dankzij federale steun kon hij zijn enorme plantage in Mississippi moderniseren, maar tegelijkertijd was hij een fel tegenstander van federale invloed op raciale verhoudingen of het beschermen van vakbonden. Toen de federale overheid besloot de hoeveelheid subsidie per planter te verminderen, was Eastland slim genoeg om zijn plantage te verdelen onder zijn drie kinderen en vrouw, zodat hij toch nog het volle pond kreeg.

Naarmate de Democratische Partij steeds meer de partij van burgerrechten werd, liepen veel Eastland aanhangers over naar de Republikeinse Partij. De partij van een kleine overheid, maar ook van het grote geld, inclusief overheidsgeld. Een voorbeeld: Eastland’s opvolger, de Republikein Thad Cochran, had het vorig jaar opvallend moeilijk in de voorverkiezingen tegen Tea Party extremist Chris McDaniel. Volgens McDaniel was Cochran establishment en out of touch met de mensen in Mississippi. Die aanval was niet geheel onterecht, aangezien Cochran al bijna 40 jaar in de Senaat zit en veel macht heeft als voorzitter van de Appropriations Committee, die over de verdeling van de federale dollars gaat. Uiteindelijk moest de oude Republikein op zoek naar steun bij zwarte en Democratische kiezers om herkozen te worden. Cochran waarschuwde dat McDaniel serieus was over het terugschroeven van overheidssubsidies aan Mississippi; als voorzitter van Appropriations kon hij er in ieder geval voor zorgen dat het federale geld wel bleef komen. Door het extreem-rechtse gelul van zijn partij werd Cochran gedwongen linksom zijn herverkiezing veilig te stellen.

Vanwege de Tea Party en Trump zullen old school Republikeinen zoals Cochran het veel moeilijker krijgen om politiek te overleven. Meer gematigde en establishment types zoals Jeb Bush, John Kasich en zelfs Darth Vader Cheney claimen dat Trump de Republikeinse Partij niet representeert. Dat is natuurlijk onzin. Jarenlang hebben de Republikeinen hun achterban gevoed met anti-immigratieretoriek en hebben ze het islamitische communisme van Barack H. Obama veroordeeld. Met Trump oogsten ze nu wat ze gezaaid hebben, want hij maakt expliciet wat Republikeinse politici al decennia roepen, zij het in meer verdekte taal. De bescherming van een traditionele Amerikaanse identiteit (whatever that may be), het dichtschroeven van de grenzen, minder geld naar “welfare queens” en meer macht naar de staten; dit zijn allemaal programmapunten die ongunstig zijn voor minderheden en dus ook zo opgevat worden door de xenofobe, fundamentalistische en racistische kiezers die inmiddels een belangrijk deel van het Republikeinse electoraat vormen. Het Republikeinse veld is dit jaar qua etniciteit veel gevarieerder dan de Democraten, waar de top drie 100% blank is. Toch doen de Republikeinen nauwelijks moeite om Latinos en zwarten aan te spreken.

Waarom gebeurt dat? Zoals ik al eerder betoogd heb is de Republikeinse Partij van oudsher een elitepartij die gericht is op de belangen van rijken en grote bedrijven. Met zo’n boodschap win je echter niet verkiezingen. Sinds de Southern Strategy van Richard Nixon grijpen Republikeinen terug op tactieken die de Redeemer Democrats in het Zuiden ook gebruikten aan het eind van de negentiende eeuw om daar de blanke suprematie te herstellen. Een interraciale beweging van zwarte en blanke landarbeiders vormde destijds een bedreiging voor de positie van de dominante klasse. De Redeemer Democrats speelden in op de racistische gevoelens van de blanke onderklasse en wisten deze groep op succesvolle wijze te overtuigen dat huidskleur belangrijker was dan verschil in economische belangen. De zwarten werden vervolgens van het politieke proces uitgesloten door poll taxes, literacy tests, intimidatie en geweld.

Openbare lynchings behoren gelukkig tot het verleden, hoewel de leider van een belangrijke Amerikaanse moslimorganisatie Trump heeft vergeleken met de leider van een lynch mob. In het algemeen gebruiken Republikeinen andere Redeemer tactieken om hun macht te behouden. Zo zijn ze al een tijdje bezig om het moeilijker te maken voor armen en minderheden hun stemrecht uit te oefenen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het aanscherpen van voter ID laws en het sluiten van DMV’s (waar je een ID bewijs kunt aanschaffen) in gebieden die Democratisch stemmen. Deze strategie heeft al de aandacht getrokken van het Department of Transportation. Op de campagne bijeenkomsten van Trump is het geweld tegen minderheden teruggekeerd. Republikeinse kandidaten die zich teveel distantiëren van Trump distantiëren zich ook van zijn achterban en dat is politiek gevaarlijk, aangezien zij deze stemmers nodig hebben voor het winnen van de nominatie. Ted “Creepy” Cruz, de griezel uit Texas, heeft dit het beste door en presenteert zich nu als het redelijk alternatief voor The Donald. Hun programma’s verschillen echter niet zoveel, hoewel Cruz misschien net iets christelijker is.

Tot voor kort waren Trump en Cruz bondgenoten en vielen ze elkaar niet teveel aan. Nu Cruz aan het stijgen is in de polls, wordt Trump ook vijandiger. Nadat de senator uit Texas (achter de schermen) Trumps leiderschapskwaliteiten in de strijd tegen het terrorisme in twijfel getrokken had, kwam er een tegenaanval. Trump beweerde dat er niet veel evangelische christenen van Cuba komen (dus hoe oprecht gelovig is Cruz eigenlijk?) en nam hij de oppositie van Cruz tegen overheidssubsidies voor ethanol onder vuur. Deze subsidies zijn populair in Iowa, de staat waar de eerste voorverkiezingen worden gehouden. Cruz moet nu dus oppassen dat hij niet zijn eigen politieke graf aan het graven is, net als Rick Perry, Scott Walker en Bobby Jindal vóór hem.

Cruz is echter een geslepen politicus en dat maakt hem misschien nog wel gevaarlijker dan Trump, maar in ieder geval een veel sterkere kandidaat dan Perry, Walker en Jindal. Net als Trump is hij uitgekotst door het Republikeinse establishment, wat hem populair maakt bij het gefrustreerde deel van het electoraat en hem de vrijheid geeft zijn eigen reactionaire plan te trekken. Met deze approach wint hij misschien de voorverkiezingen, maar wordt het moeilijk meer gematigde stemmers aan te trekken in de strijd voor het Witte Huis. Daar wordt het Republikeinse leiderschap erg zenuwachtig van.

En zo komen we weer terug bij het opstellen van de Amerikaanse Grondwet. Een belangrijke aanleiding voor het organiseren van de Constitutionele Conventie in Philadelphia was Shays’ Rebellion, een opstand van ontevreden burgers die vonden dat ze genaaid werden door de overheid van Massachusetts. Dit was voor George Washington c.s. genoeg reden om een nieuwe grondwet te schrijven die de macht van de nationale overheid zou versterken en dit soort burgerlijke ongehoorzaamheid in goede banen kon leiden. De Amerikaanse elite, de planters in het Zuiden en de handelaren in het Noorden, zaten niet echt te wachten op rebellie van het rapalje.

De Amerikaanse Revolutie ontketende krachten die moeilijk te beheersen waren, net als de Republikeinse agenda nu. Ondanks de “all men are created equal” retoriek waren de Founding Fathers ambivalent over teveel invloed van het volk. Ze stichtten een republiek, niet een democratie. Die democratische samenleving kwam er rond de jaren 1820 toch – in eerste instantie voor blanke mannen, dat dan weer wel. Het huidige Republikeinse establishment was nooit echt geïnteresseerd in het realiseren van hun moralistische agenda. Tax cuts voor de rijken en grote bedrijven vormt de kern van hun ideologie, maar daarom stemmen veel sociaal-conservatieve Amerikanen uiteraard niet Republikeins. Zij hebben vaak weinig aan de economische plannen van de Republikeinen, terwijl hun family values versie van Amerika richting afgrond lijkt te verdwijnen. De begrijpelijke boosheid van deze kiezers kan alleen op rechts worden geuit, want de Democratische Partij is allang geen alternatief meer voor hen. Dit verklaart de populariteit van Donald Trump en Ted Cruz. Je zou bijna wensen dat George W. Bush weer meedeed aan de verkiezingen. Hij probeerde na 9/11 tenminste wel het geweld tegen moslims te beteugelen.

Advertenties