Amerikaans socialisme

door Maarten Zwiers

De New York Times omschreef Bernie Sanders onlangs als een “democratic socialist,” hoewel de onafhankelijke senator uit Vermont zichzelf liever een “progressive” noemt. Hij doet het zeer behoorlijk in de polls, wat opvallend is gezien zijn uitgesproken linkse standpunten. Hij heeft geen super PAC die miljoenen voor hem binnensleept en hij verzet zich tegen de macht van grote banken en belastingvoordeel voor de rijken. Als het aan hem ligt, wordt de VS een verzorgingsstaat à la Zweden — oftewel een tweede Canada. Net als Trump bij de Republikeinen verwoordt Sanders het ongenoegen aan Democratische zijde, waar een deel van de kiezers klaar is met het establishment en de macht van het grote geld. Op beide flanken van het politieke spectrum broeit het dus, wat de huidige campagne extra interessant maakt.

Is Sanders een socialist? De ideeën die hij verkondigt staan eigenlijk dichter bij de sociaal-democratie, bovendien overgoten met een Amerikaans sausje. Net als andere Amerikaanse politici neemt Sanders het op voor de middenklasse, hoewel hij linkse oplossingen aandraagt om de belangen van die groep te beschermen. Een echte socialist verdedigt natuurlijk niet de bourgeoisie, maar het programma van Sanders wordt als radicaal beschouwd omdat het linkse geluid lange tijd niet of nauwelijks te horen was in de Amerikaanse politieke arena. Het luidruchtige extremisme kwam van rechts, van onder meer de Tea Party, die zich plaatst in een lange Amerikaanse traditie van verzet tegen overheidsbemoeienis.

Toch kennen ook de Verenigde Staten een geschiedenis van links radicalisme, van een goed georganiseerde arbeidersbeweging en een populaire Socialistische Partij. Vooral aan het begin van de twintigste eeuw deden de Socialisten het goed in de verkiezingen; in 1912 wist de Socialistische presidentskandidaat Eugene V. Debs zelfs zes procent van de stemmen binnen te halen. Socialisme is misschien niet “as American as apple pie,” maar het is ook zeker geen Amerikaanse anomalie. In de VS kan de linkse strijd tegen corruptie en de concentratie van rijkdom en macht zelfs teruggevoerd worden tot de ideologie van het republikanisme (met een kleine r), die op haar beurt een belangrijke invloed had op het uitbreken van de Amerikaanse Revolutie in 1776.

Het is opmerkelijk dat de socialistische brandhaarden in het verleden vooral woedden in staten die nu dieprood kleuren — dieprood als in conservatief Republikeins, niet links-radicaal. In prairiestaten zoals Texas, Oklahoma en Kansas ontstond rond het eind van de negentiende eeuw een sterke socialistische beweging. Pachters en arbeiders verenigden zich daar en kwamen in opstand tegen de gevestigde politieke orde en het kapitaal in de mijn-, bos- en landbouw. Militante leiders zoals “Red Tom” Hickey in Texas combineerden socialisme met religie en creëerden zodoende een boodschap die een sterke aantrekkingskracht had op de arme plattelanders in het oude Zuidwesten. Op een bepaald moment had Oklahoma zelfs meer socialisten dan de gehele staat New York.

De oppositie van de Socialisten tegen Amerikaanse inmenging in de Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat de partij als onpatriottisch werd afgeschilderd en haar aanhang afnam. Na de Russische Revolutie ontstond er bovendien een Red Scare in de VS, die zijn hoogtepunt bereikte in de jaren 1919-1920, wat resulteerde in onderdrukking van socialistische ideeën. De linkse beweging maakte een opleving door tijdens de New Deal in de jaren dertig, toen de Communist Party USA een voortrekkersrol had in een progressief volksfront. Hoewel de communisten zich vaderlandslievend opstelden en claimden dat “Communism is 20th Century Americanism,” kwam ook aan hun populariteit een einde nadat Nazi-Duitsland en de USSR een niet-aanvalsverdrag tekenden, het Molotov-Von Ribbentrop Pact. Zodra de Koude Oorlog op gang kwam, ontstond er een tweede Red Scare, verpersoonlijkt door senator Joe McCarthy uit Wisconsin. Tijdens de titanenstrijd tussen de VS en de SU werd praktisch elk links idee met argwaan bekeken in Amerika.

Waarom heeft het socialisme uiteindelijk nooit echt voet aan de grond gekregen in de VS, ondanks het excessieve kapitalisme? In 1906 stelde de Duitse econoom en socioloog Werner Sombart deze vraag al in zijn boek Warum gibt es in den Vereinigten Staaten kein Sozialismus? Volgens Sombart had dit te maken met het succes van het Amerikaanse kapitalisme; de arbeidersklasse had helemaal geen zin om het systeem omver te werpen, maar wilde er zelf van profiteren. De Amerikaanse arbeiders hadden een hogere levensstandaard dan hun kameraden in Europa en identificeerden zich sterker met de bourgeoisie. De American Dream en het idee van de Verenigde Staten als “Land of Opportunity” waren volgens Sombart aantrekkelijker dan de utopie van de socialistische heilstaat.

Wellicht had Sombart een punt. Tegelijkertijd toont de geschiedenis aan dat Amerikanen bereid zijn linkse ideeën te omarmen als de nood hoog is. Het ongebreidelde kapitalisme van de Gilded Age (1870-1900) resulteerde in de opkomst van het Amerikaanse socialisme. We leven nu in een periode die in bepaalde opzichten lijkt op de Gilded Age, met een kleine economische elite die de politieke macht naar zich toe trekt, een middenklasse die onder druk staat en een groeiend proletariaat. Ondertussen werkt een groot aantal Amerikanen zich helemaal naar de tering voor weinig geld, niet alleen aan de onderkant van de samenleving, maar ook bijvoorbeeld in de academische wereld. De American Dream blijft voor velen echter ver weg. De frustratie die hieruit voortkomt, verklaart de opkomst van populistische politici zoals Donald Trump en Bernie Sanders. Trump geeft buitenlanders, Obama en de overheid de schuld voor de teloorgang van de Amerikaanse Droom, Sanders het grootkapitaal. “Feel the Bern” kan in ieder geval op veel support rekenen, zo’n honderd jaar nadat de Socialisten het hartland van Amerika in vuur en vlam zetten.

Advertenties